beheer

Beheer voorlanden

De waterkeringbeheerder heeft onder de Waterwet de plicht te onderzoeken of de waterkering onveranderd aanwezig is. Als het wordt meegenomen, dan geldt deze plicht ook voor het voorland. Het beheer van voorland richt zich dan op het in stand houden van de waterkering en het tegen gaan van ongewenste ontwikkelingen (voorkomen, terugdraaien en/of compenseren).

In het geval van ongunstige ontwikkelingen kan de waterkeringbeheerder (afhankelijk van hoe groot deze invloed is) herstel plegen. Zo nodig gebeurt dat met met aanmelding bij het HWBP. [Waterwet, art. 5.3]

Er is onderscheid in actief en passief beheer. Het actieve beheer bestaat uit onderhoud zoals het verwijderen van begroeiing en het herstellen van steenzettingen. Passief beheer is het opleggen van beperkingen aan activiteiten van derden en vergunningverlening daarvoor door de waterkeringbeheerder.

Op het waterstaatswerk (de kernzone van de waterkering) voert de waterkeringbeheerder zowel actief als passief beheer, in de beschermingszone uitsluitend passief beheer.

De waterkeringbeheerders richten hun beheer in op basis van het Kader Zorgplicht. De overstromingskansbenadering maakt het mogelijk om explicieter rekening te houden met de (on)waarschijnlijkheid van negatieve ontwikkelingen. Dit maakt ‘risicogestuurd werken’ mogelijk: de risico’s bepalen de beheeractiviteiten. De kans en de gevolgen van een ontwikkeling bepalen dus de aard en de frequentie van het beheer.

Het meenemen van het voorland kan de beheerinspanning dus vergroten.

Ontbreken kader voor beheer

Welke beheeractiviteiten mogelijk en nodig zijn voor de instandhouding van voorland, is vaak onvoldoende in beeld. Er ontbreken richtlijnen. Het gaat hier om antwoorden op vragen als: hoe beheer je gebieden waarover je geen zeggenschap hebt? Afhankelijk van het type beheer dat nodig is kan gekozen worden om zeggenschap over die gebieden te regelen (bijvoorbeeld in de legger en Keur). De POV Voorlanden beschrijft de mogelijkheden voor het regelen van zeggenschap in het voorland en relateert dit aan het type beheer dat daar gewenst (of nodig) is.

De POV zoekt aansluiting bij lopende ontwikkelingen die zijn ingegeven door schaalvergroting (fusies). Op het gebied van optimalisatie en professionalisatie van de zorgplicht en het inspectieregime worden al trends zichtbaar. Het meenemen van voorlanden kan profiteren van de lopende systematisering van beheerkennis (‘persoonlijke kennis’  verhuist naar een ‘kennissysteem’). Dat systeem zal veel meer zijn gebaseerd op normen en vaste werkpraktijken. Aan de hand van landelijke methoden en normen zal makkelijker in beeld te brengen zijn wat de extra beheerinspanning zal zijn, als wordt besloten voorlanden mee te nemen in het beheer.

Natuurbeheer

Waterkeringbeheerders kunnen worden geconfronteerd met nieuwe beheertaken waarvoor richtlijnen ontbreken, zoals bijvoorbeeld natuurbeheer. Er zijn echter nu goede praktijkvoorbeelden aan te wijzen waar dijkbeheer en natuurbeheer goed samengaan. De POV wil deze  ervaring ontsluiten. Naast de onbekendheid kunnen er ook  juridische obstakels bestaan. De POV heeft onder meer juristen van de Universiteit van Utrecht om advies gevraagd hoe waterwetgeving  en natuurwetgeving samengaan of op elkaar kunnen worden afgestemd.

  1. Nieuwe taak: In de eerste plaats is natuurbeheer van zandlichamen, griendbossen of kwelders geen natuurlijke basistaak van het waterschap. Waterschappen hebben hier doorgaans geen ervaring of affiniteit mee.
  2. Aankoop grond: Daarnaast is het voor het (laten) uitvoeren van beheer (in sommige gevallen) een voorwaarde dat het waterschap eigenaar van deze grond is. In veel gevallen is  aankoop van de grond nodig.
  3. Beheer door een terreinbeherende organisatie: Een alternatief is dat een natuur- of terreinbeherende organisatie (bijv. Staatsbosbeheer) de grond in beheer neemt. Dergelijke organisaties kun je als waterkeringbeheerder een instandhouding- of onderhoudsplicht opleggen via de Keur. Overdracht van het eigendom naar het waterschap is dan niet nodig. Staatsbosbeheer staat hier doorgaans  welwillend tegenover. Een obstakel is dat Staatsbosbeheer direct onder de Rijksoverheid en daarom niet mag concurreren met de marktpartijen in het uitvoeren van natuurbeheer. Een uitzondering is het uitvoeren van natuurbeheer met zogeheten ‘Rijksdoelen’. Het is de vraag of het beheer van natuurgebied onder deze noemer valt.

Zeggenschap

Bij veel waterkeringbeheerders ligt het voorland (deels) buiten de legger. Hierdoor heeft de waterkeringbeheerder geen zeggenschap over het voorland en ontbreekt de mogelijkheid om (passief) te beheren. Vervolgens gaan veel beheerders er veiligheidshalve vanuit dat er ontwikkelingen optreden die het positieve effect van het voorland teniet doen. Zij ‘knippen’ daarom het voorland op de grens van de leggerzonering af waardoor het voorland dus eigenlijk niet ‘bestaat’. De beoordeling of het ontwerp gaat daarmee feitelijk uit van een fictief profiel.

Het is de vraag of het nodig is om de legger daarop aan te passen zodat het voorland binnen de beschermingszone valt. De verschillende bronnen zijn daarover niet eenduidig.

  • De Grondslagen voor Hoogwaterbescherming geven aan dat dit niet nodig is.
  • De basiseisen voor uitvoering van de zorgplicht impliceren van wel.
  • Mogelijk biedt maatwerk een oplossing, zoals het plaatselijk hanteren van een ander regime binnen beschermingszones .

Strijdige belangen

Als extra zeggenschap gewenst is, zijn eigendom en belangen van derden een nieuw obstakel. Waterkeringbeheerders geven de voorkeur aan een stabiel minimumprofiel met maximale zekerheid over de bijdrage van het voorland aan de waterkerende functie. Andere partijen hebben juist behoefte aan meer dynamische ontwikkeling. Op zachte voorlanden  prefereren natuurbeheerders bijvoorbeeld vaak dynamische natuur. Een landschap dat onderhevig is aan veranderingen. Op harde voorlanden hebben  bewoners of bedrijven behoefte aan ruimtelijke ontwikkeling (slopen, bouwen) die de waterkerende functie echter negatief kunnen beïnvloeden.

Het opnemen van het voorland in de beschermingszone en het daarmee opleggen van beperkingen aan derden, kan tot weerstand leiden en nadeelcompensatieclaims. De POV zoekt het in de richting van het ‘anders voeren van de discussie’. Een maatschappelijke kosten/baten afweging kan helderheid verschaffen. Over een periode van vijftig jaar gemeten, kan het interessant zijn om deze strijdige belangen tegen elkaar af te wegen. Partijen moeten daarover in overleg zodat meerdere ‘wat als’ scenario’s kunnen worden besproken. De sleutel is hier oplossingsgericht samenwerken tussen partijen met verschillende belangen.