beoordelen

Periodieke beoordeling

Iedere twaalf jaar brengt de waterkeringbeheerder verslag uit aan de minister van Infrastructuur en Milieu. Hij rapporteert over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkering (artikel 2.12, lid 1 van de Waterwet). Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van het Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium (WBI).

Het WBI bevat de regels voor:

  • het bepalen van de aan te houden hydraulische belastingen,
  • de sterkte en de wijze van beoordelen van (faalmechanismen van) waterkeringen,
  • het nieuwe beoordelen waarbij de beheerder moet kijken of voorlanden in de beoordeling meegenomen kunnen worden.

Het kan nuttig zijn om (net zo als dat bij projecten mogelijk is) bij de beoordeling van een dijk de randvoorwaarden ruimer te nemen. De randvoorwaarden binnen de bestaande methodieken houden soms geen rekening met het voorland. Als beoordelaars de mogelijkheid krijgen de aspecten van het voorland mee te nemen, kunnen zij meer alternatieven doorrekenen. De POV heeft hierover contact met deskundigen uit verschillende kennisinstellingen.

Uit een beoordeling kan blijken dat de  waterkering, inclusief het voorland, niet aan de gestelde eisen voldoet. Op dat moment start een ontwerpopgave. Volgens de nieuwe Waterwet moet de beoordelaar uitgaan van het werkelijke profiel van de waterkering op de peildatum, inclusief het voorland, inclusief lopende ontwikkelingen.

Dergelijke ontwikkelingen zijn onzeker. Die onzekerheid neemt toe naarmate de peildatum verder in de toekomst ligt. Onderstaande figuur geeft schematisch de invloed weer van ontwikkelingen in het voorland in relatie tot de beoordeling.

De genoemde ontwikkelingen kunnen geleidelijk zijn, zoals bij erosie en zetting. Ze kunnen ook schoksgewijs of plotseling optreden, zoals bij zettingsvloeiing of ontgraving door derden.

De overstromingskansbenadering geeft de mogelijkheid om explicieter rekening te houden met de (on)waarschijnlijkheid van ontwikkelingen die binnen de zichtperiode kunnen optreden.