financieel

Financiële afweging

Als voorland wordt meegerekend, kan een beoordeling of ontwerp lichter uitvallen. Daardoor kunnen aanlegkosten worden beperkt of zelfs voorkomen. Omdat het voorland daarmee feitelijk integraal onderdeel wordt van de waterkering, zal dit een extra belasting (kunnen) vormen voor de beheerorganisatie.

Daarnaast kan meenemen van voorland andere kosten veroorzaken. Denk bijvoorbeeld aan het aanpassen van de leggerzonering, aan nadeelcompensatie en/of voor de grotere beheerinspanning die nodig is voor inspectie van het voorland.

De meer- en minderkosten bestaan uit eenmalige kosten en jaarlijks terugkerende kosten. Het geëigende middel om meer- en minderkosten tegen elkaar af te wegen is LCC-berekening (Life Cycle Costs). Een LCC-berekening maakt het mogelijk de doelmatigheid van kosten van een dijkversterking af te zetten tegen de levensduur. Uit een LCC-berekening moet blijken of de lagere aanlegkosten opwegen tegen de hogere jaarlijkse beheerkosten. Het HWBP geeft standaard uitgangspunten voor het uitvoeren van een LCC-berekening.

Gebrek aan inzicht in (extra) beheerkosten

Voor zowel het huidige beheer als voor het nieuwe beheer zijn de beheerkosten maar beperkt inzichtelijk. Kengetallen en schattingen ontbreken of kennen grote bandbreedtes. Kosten zijn ook zeer locatiespecifiek.

Volgens een onderzoek in het kader van het HWBP zijn de algemene beheerkosten 450 euro per kilometer voor handhaving en 450 euro per kilometer voor inspectie. Daarnaast geeft dit onderzoek ook kengetallen voor kosten van onderhoud en plaagdierbestrijding.

Subsidies

De subsidieverstrekking door het HWBP leidt tot  tegenstrijdigheden.

  1. Tegenstrijdige incentive: Waterschappen moeten middelen doelmatig  besteden. Dat pleit dus voor het meenemen van het effect van het voorland als dit leidt tot een positief saldo over de zichtperiode. Toch wordt dit in de praktijk niet altijd of maar deels gedaan. Dat komt doordat de aanlegkosten door het Rijk worden gefinancierd, terwijl de beheerkosten volledig voor rekening van de  waterkeringbeheerder komen.
  2. Tegenstrijdige incentive: dit geldt ook bij optreden van een ongunstige wijziging in het voorland gedurende de zichtperiode. Het is dan niet duidelijk of de waterkeringbeheerder zelf maatregelen moet nemen of dat hij een ontwerpopgave kan aanmelden bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Het huidige kader voor subsidieverstrekking maakt het voor waterkeringbeheerder financieel interessanter direct te kiezen voor aanmelding bij het HWBP, terwijl dit mogelijk niet het meest doelmatige is.
  3. Belemmering voor meekoppelen: Het HWBP-subsidiestelsel biedt geen subsidiemogelijkheid om ontwikkelingen van derden in het voorland mee te koppelen. Als een waterkeringbeheerder voor de veiligheid wil investeren in ontwikkelingen van derden, kan werk met werk worden gemaakt. Dat is gunstig als daardoor een toekomstige versterkingsopgave vermindert of verdwijnt. Het initiatief voor dergelijke projecten ligt bij de derde partij en niet bij de veiligheidsopgave. Voor dergelijke investeringen is geen kader voor subsidieverstrekking beschikbaar. Een uitzondering is mogelijk als er op dat moment een versterkingsopgave ligt voor een afgekeurde, aangemelde dijk met bijbehorende prioritering.

Inmiddels loopt de discussie over de subsidieverstrekking. Het HWBP, het Deltaprogramma en de waterschappen erkennen de problematiek en zoeken naar oplossingen. Die zouden bijvoorbeeld kunnen worden gevonden in de vorm van een eenmalige afkoopsom. Als bekend is wat de extra beheerkosten van een voorland zijn, zouden partijen tot overeenstemming kunnen komen over de hoogte van eenmalige subsidie voor het extra onderhoud.