Deze pagina is optioneel!

Voorlanden voor een dijk dragen op zes verschillende manieren bij aan grotere waterveiligheid.

1: Golfreductie

Een hooggelegen voorland breekt de golven voor ze de waterkering bereiken. Golven breken namelijk op ondiep water (golven van maximaal de halve waterdiepte breken). Begroeiing of bebouwing reduceren golven nog verder. Dit reduceert de kans op de faalmechanismen instabiliteit en erosie van de kruin en/of het binnentalud.

2: Extra kwelweglengte

Bij voorland komt het intredepunt van de kwelstroom op grotere afstand van de dijk te liggen. De lengte van de weg die kwel moet afleggen neemt daardoor toe. Dit betekent een grotere sterkte en een kleinere kans op het faalmechanisme piping. Dit effect treedt op bij hooggelegen voorlanden, maar ook bij laaggelegen voorlanden met een slechtdoorlatende toplaag. Die toplaag kan ook alsnog met een kleidek worden aangebracht.

3: Lagere grondwaterstanden

Bij voorland komt het intredepunt voor de freatische lijn (niveau van de grondwaterspiegel in de waterkering onder de toplaag) op grotere afstand van de dijk te liggen. Dat verlaagt de freatische lijn waardoor de korrelspanning in het dijklichaam toeneemt. De macrostabiliteit en de microstabiliteit wordt daarmee vergroot. Dit verkleint de kans op dit faalmechanisme.

5: Bufferwerking

Voorland is een soort vangrail naast de vaarweg. Immers, voor dijken langs drukbevaren watergangen kan een aanvaring een reële bedreiging vormen. Een sprekend voorbeeld is de Nieuwe Waterweg. Een voorland vormt in deze gevallen een extra buffer die voorkomt dat de dijk bij een aanvaring direct wordt belast.

6: Reststerkte

Een hooggelegen voorland is als een reservewiel. Voorland zorgt voor reserve sterkte na optreden van een van macro- en microstabiliteit in de dijk. Deze reststerkte voorkomt een overstroming bij waterstanden lager dan het voorland. In feite neemt het voorland in zo’n geval de waterkerende functie tijdens het hoogwater over.